Leeroverzicht schoolexamen 1 (SE1)
Joukje Swinkels
Hoofdstuk 1
paragraaf 1
- Je moet weten wat elastische en plastische vervorming is
- Je moet verschillende soorten krachten kennen en kunnen benoemen
- Je moet krachten op de juiste wijze kunnen tekenen en met een schaal kunnen werken
paragraaf 2
- Je moet weten dat krachten gemeten worden met een veerunster en dit kunnen aflezen
- Je moet weten wat het bereik van een meetinstrument betekent
- Je moet de zwaartekracht op een voorwerp kunnen uitrekenen
De zwaartekracht (in N) is 10 x de massa (in kg)
Denk eraan: 1 kg = 1000 gram dus 1 gram = 0,001 kg
paragraaf 4
- Je moet met de momentenwet kunnen rekenen
kracht x arm (linksom)= kracht x arm (rechtsom)
- Je moet de werking van hefbomen snappen en ermee kunnen rekenen
Een goede oefening voor H1 is test jezelf, op blz. 30 t/m 34 van je werkboek A
Hoofdstuk 2
paragraaf 1
- Je moet weten wat positieve en negatieve lenzen zijn, en welke invloed ze op een lichtstraal hebben.
- En wat een evenwijdige , convergerende en divergerende werking is
- Je moet weten wat een brandpunt is en hoe je deze kunt bepalen
(het brandpunt is het punt op de hoofdas waar de stralen na de lens samenkomen die evenwijdig aan de hoofdas liepen voor de lens.
paragraaf 2
- Je moet globaal weten hoe een fototoestel werkt
paragraaf 3
- Je moet een vergroting kunnen berekenen:
vergroting= lengte beeld gedeeld door lengte voorwerp ( N=b/v )
je moet dan wel dezelfde eenheden gebruiken
denk eraan 1cm=10mm en 1m=100cm
paragraaf 4
- Het beeld van een voorwerp kunnen tekenen met behulp van 2 constructiestralen
1 constructiestraal loopt altijd rechtdoor het midden van de lens, de tweede loopt evenwijdig aan de hoofdas en door het brandpunt.
paragraaf 5
- Werking oog
- Accommoderen
- Bijziendheid/verziendheid
Een goede oefening voor H2 is test jezelf, blz 63,64,65,66 werkboek A
Hoofdstuk 3
paragraaf 1
- Afstand/tijd grafiek kunnen maken
(zorg dus voor een liniaal!!)
zie vraag 7,8,9 werkboek blz.69,70,71
paragraaf 2
- Gemiddelde snelheid uit kunnen rekenen
Vgem= afstand/tijd =……….km/h of m/s
Afstand in km of in m (1 km = 1000 m)
Tijd in h (uren) of s (seconden) (1 h = 60 min. = 3600 sec)
m/s om kunnen rekenen naar km/h en andersom
van m/s naar km/h is keer 3,6
van km/h naar m/s is gedeeld door 3,6
Je moet ook berekeningen kunnen maken, zoals:
Als je een snelheid en een tijd hebt de afstand uit kunnen rekenen
Als je de snelheid en de afstand weet de tijd uit kunnen rekenen
paragraaf 3
- Weten en herkennen wanneer een beweging vertraagd, eenparig of versneld is.
paragraaf 4
- Weten dat luchtweerstand en rolweerstand tegenwerkende krachten zijn
- Weten hoe je die kunt verminderen
- Figuur 17 blz 49 snappen, toe kunnen passen
paragraaf 5
- Je moet weten wat de reactietijd is, en als deze en de snelheid bekend zijn de reactieafstand kunnen uitrekenen (reactieafstand=reactietijd (in sec) x snelheid (in m/s)=……….meter)
- Je moet de stopafstand uit kunnen rekenen als je de reactieafstand en remweg weet:
Stopafstand= reactieafstand + remweg
Een goede oefening is test jezelf, blz 96 t/m 100 werkboek A
Hoofdstuk 4 paragraaf 1 en 2
paragraaf 1
- Je moet schematische stroomkringen kunnen tekenen met lampjes in serie en parallel.
- Je moet er schakelaars bij kunnen tekenen en weten wanneer welk lampje uit en aan zal gaan
- Je moet een ampèremeter (stroom) erbij kunnen tekenen (altijd in serie)
en een voltmeter(spanning) altijd parallel - Je moet weten wat er met de stroomsterkte gebeurt in serie en parallelschakelingen
paragraaf 2
Je moet de weerstand kunnen berekenen
Weerstand= spanning/stroomsterkte oftewel: R=U/I
Goede oefening: vraag 7,10,11,12 blz 6 en 7 werkboek B
Vraag 16,17,18 blz 8 en 9 werkboek B
Tot slot : overzicht van alle voorkomende grootheden, eenheden, meetinstrumenten met afkortingen en eventueel bijzonderheden
| grootheid | eenheid | Afkorting | Formule | bijzonderheden | Meetinstrument | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| kracht | F | newton | N | Momentenwet: Kracht x arm (linksom) = kracht x arm (rechtsom | Zwaartekracht = aantal kgx10 | veerunster |
| vergroting | N | - | - | N=lengte beeld/ lengte voorwerp | Zelfde eenheden gebruiken! 1cm=10mm en 1m=100cm | Liniaal en berekenen |
| snelheid | v | Kilometer per uur Of: Meter per seconde | Km/h Of m/s | Snelheid= afstand/tijd v=s/t | Van m/s naar km/h is keer 3,6 Van km/h naar m/s is gedeeld door 3,6 | berekenen |
| afstand | s | Kilometer of meter | Km of m | Afstand = snelheid x tijd s=vxt | 1 km= 1000m | liniaal |
| tijd | t | Uren of seconden | h of s | Tijd = afstand / snelheid t=s/v | 1h=60 minuten= 3600sec | stopwatch |
| stroomsterkte | I | Ampère | A | Ampèremeter altijd in serie schakelen | ampèremeter | |
| spanning | U | volt | v | Voltmeter altijd parallel schakelen | voltmeter | |
| weerstand | R | ohm | Ω | Weerstand = spanning / stroomsterkte R=U/I | uitrekenen |