osbexact.nl


H1 Stoffen en materialen

Een architect ontwerpt een huis.
Hij kiest de materialen waarvan het huis gemaakt wordt.
Hij let daarbij goed op de eigenschappen van het materiaal.

Hoofdstuk 1 van je boek (Nu voor straks, 3 NaSk1 B(K)) gaat over stoffen en materialen. Je leert wat stoffen zijn, en welke (stof) eigenschappen ze hebben. Wanneer gebruik je een bepaald materiaal en wanneer liever niet?

Alle opgaven in je leerwerkboek moet je maken.
Ook gaan je een aantal proeven uitvoeren.
Van deze proeven moet je een verslag schrijven. Soms lang, soms wat korter. In de proefbeschrijvingen zie je wat je moet doen.
De proefbeschrijvingen en de verslagen moet je goed bewaren.
Schrijf altijd op een net stukje papier en bewaar de proefbeschrijvingen én de verslagen in een snelhechter.
In de proefbeschrijving wordt aangegeven wat er precies in het verslag moet staan.

Voor schoolexamen 1 (SE1) en schoolexamen 2 (SE2) (beide in dit jaar) moet je voldoende verslagen kunnen laten zien.
80% van de verslagen moeten goedgekeurd zijn en aanwezig.

Kijk goed in je programma van toetsing en afsluiting (PTA).

Verslagen die niet op tijd of nog niet goed zijn kunnen (éénmalig) aangepast/verbeterd worden. Daarna kunnen de verslagen niet meer meetellen.

Proefbeschrijving en verslag

Een compleet verslag bestaat uit alle onderstaande punten.
Soms wordt in de proefbeschrijving al een enkel punt voor je uitgewerkt.

Dit is een voorbeeld zoals dat later van jou zelf verwacht wordt!
Tijdens de lessen in leerjaar 3 worden steeds andere onderdelen van het verslag geoefend. Het is de bedoeling dat je aan het einde van het jaar een proefbeschrijving kan maken en een compleet verslag als je alleen de inleiding gekregen hebt.

Onderaan de proefbeschrijving staat wat jij in je (handgeschreven) verslag moet schrijven.
De proefbeschrijving én je verslag doe je in een snelhechter.
Lever de snelhechter in zodat de docent het verslag kan goedkeuren.

  1. Titel
  2. Informatie
    Informatie over jou (je naam), je eventuele partner, de klas waar je in zit en de datum waarop je de proef uitvoert.
  3. Onderzoeksvraag
    Schrijf op wat je gaat onderzoeken in een vraag. Aan het einde van de proef moet je de vraag kunnen beantwoorden. Het antwoord komt te staan bij de conclusie.
  4. Wat verwacht je?
    Schijf op wat je denkt dat er zal gebeuren.
  5. Hoe ga je dat onderzoeken?
    Korte beschrijving van het onderzoek zoals jij dat gaat uitvoeren.
  6. Wat heb je nodig?
    Schrijf alle benodigdheden op. Zie het lijstje als een boodschappenlijstje. Als het lijstje niet compleet is kan je de proef vaak niet uitvoeren.
  7. Hoe voer je de proef uit?
    In korte overzichtelijke stappen beschrijf je wat je gaat doen. Als je deze stappen na elkaar uitvoert dan kan je niets vergeten.
  8. Veiligheid?
    Schrijf op als je extra op de veiligheid moet letten.
  9. Wat neem je waar?
    Schrijf op wat je waarneemt. Bijvoorbeeld: “Ik zie rook”. Of “De spanningsmeter geeft 6 Volt aan”.
  10. Verwerking van de waarnemingen?
    De waarnemening moeten nog netjes verwerkt worden. Soms in een tabel of een grafiek.
  11. Wat is je conclusie?
    Schrijf hier het antwoord op op je onderzoeksvraag.
  12. Ten slotte
    Geef hier antwoord op mogelijke vragen. Schrijf ook op wat je anders gaat doen als je de proef nogmaals uit gaat voeren.